De stoker die afdaalde naar duistere diepte
Blad: de Volkskrant Datum: 2008-06-20
Beeld: Tijs van den Boomen
Afgelopen maand verscheen deel 1 van het verzamelde werk van Wolfgang Hilbig (1941-2007) en ook een eerste biografie. In Duitsland geldt Hilbig als een van de grootsten van de naoorlogse literatuur, maar in Nederland is hij nooit echt aangekomen.
‘Welke Duitstalige uitgeverij geeft mijn gedichten uit? Alleen serieuze reacties naar: W. Hilbig, 7404 Meuselwitz, Breitscheidstraße 19b’. Deze advertentie verscheen medio 1968 in het tijdschrift van de schrijversbond van de DDR. Het was een ongehoordheid, een gotspe, en wie in vredesnaam was deze W. Hilbig?
Het bruinkoolgebied ten zuiden van Leipzig, 2008. Blauwe lucht met witte wolken, akkers in knalgele en groene vlakken, bloeiende fruitbomen, iele bospercelen van een paar jaar oud. De bus rijdt zijn ronde langs de dorpen, de enorme koeltorens van Böhlen blijven steeds in het zicht, dan gaapt in de aarde tot aan de einder een gat. Dagbouw. Graafmachines spreiden hun tentakels uit, vrachtwagens kruipen tegen de aarden wanden omhoog. Verderop, in Rositz hangt een zware stank, midden tussen de huizen doemen zwartplastic bergen op: het is de beruchte ‘Teersee’ tussen Altenburg en Meuselwitz, die al jaren wordt gesaneerd. Dit is het landschap van Wolfgang Hilbig, hier was hij thuis, waar de bodem werd opengereten, waar de aardlagen en tijden overhoop werden gehaald voor een wezenloze planeconomie, terwijl de schoorstenen gif uitbraakten, de waterlopen als open riolen door het land meanderden, de slaven der arbeid zich helden waanden, de woorden verschraalden.
Als schrijver leefde hij van dit geschonden landschap. Hij was drie toen hij met zijn moeder voor de geallieerde bommen schuilde in de mijnschacht waar zijn grootvader werkte. Hij was een schooljongen en dwaalde tussen de ruïnes van de munitiefabriek en de barakken waar kort daarvoor de dwangarbeiders uit Buchenwald hadden gezeten. Zijn vader – zelf een halfwees uit Oppersilezië – raakte in Stalingrad vermist, zijn timide moeder had haar handen vol aan overleven en zijn analfabete Pools-Oekraïense grootvader vervloekte zijn gelees en geschrijf. Hij was een jongeman en schopte het tot bokskampioen, hij werkte als metaaldraaier en stoker en zoop als een tempelier. En steeds las hij alles wat hij te pakken kon krijgen en schreef en schreef als bezeten, ’s nachts aan de keukentafel thuis bij zijn moeder, of alleen in het ketelhuis van de fabriek als de oven loeide.
Over zijn jeugd zegt de hoofdpersoon in Das Provisorium, Hilbigs laatste en meest autobiografische roman: ‘Ik was als kind een armzalige onderontwikkelde advocaat van de angst … het was de angst voor het zwijgen. De hel van deze kindertijd was woordeloos, stom, haar kenmerkende eigenschap was het zwijgen. Ik begon deze zwijgende hel met woorden te vullen… met een piepklein theelepeltje (…) begon ik woorden in een enorme lege hal van zwijgen te scheppen.’ En over zijn tijd als metaaldraaier, waarin alleen al het wóórd eenzaamheid hem met ontzetting vervulde: ‘Als de eenzaamheid zijn bewustzijn zou bereiken, moest hij er een oorlog tegen beginnen – een oorlog tegen zichzelf – misschien een levenslange oorlog, waarin hij van begin af aan kansloos was.’
Was hij een van die wilde, ongepolijste talenten, die zo tot de verbeelding van het Bildungsbürgertum spreken? ‘Onzin’, briest dichter en landgenoot Uwe Kolbe, ‘Hilbig heeft zijn talent door eindeloos oefenen ontwikkeld. Duizenden bladzijden heeft hij in de oven gesmeten.’ Wat hij schreef spoorde op geen enkele manier met de literatuur van zijn land, die moest socialistisch-realistisch zijn en de arbeiders- en boerenstaat bezingen. Hij was arbeider, hij was schrijver, beide op onnavolgbaar eigen wijze. Hij wist allang dat je niet zag wat je zag, dat de taal net als het landschap verraderlijke grond onder de voeten was en dat ze was gekaapt door de macht. Hem ging het om waarneming, hij schreef met al zijn zintuigen en probeerde met zijn woorden de taal van zijn verhullende functie en eendimensionale verstarring te ontdoen. In hem hadden zich andere stemmen afgezet, in zijn sinistere en sublieme taalruimte klonken de echo’s van Duitse romantici, van expressionisten en modernen door, van filosofen, lyrici en epische vertellers, van drankzuchtigen, het schuim der aarde, verdoemden en spoken. Hij daalde af in de krochten van de ziel, daar waar het duister is, waar elk houvast verzengt, tot er niets meer is dan vervreemding, of sterker nog: ontwerkelijking.
1 2 3 4

|